Tussen de plooien van hetgeen wij de Vlaamse Ardennen noemen, ligt een charmante parel stilletjes te blinken. Ronse is een stad met twee gezichten. Ze doet zich voor als een bescheiden boerendorpje maar wanneer je door de straten loopt, lonken de allures van een rijk stadscentrum.

Op het eerste zicht dacht ik dat ik een grote lus had gemaakt en per ongeluk terug in mijn eigen dorpje, het briljante Berlaar, was gesukkeld. Ronse lijkt op mijn vertrouwde kerktoren-tafereel met bruine cafés en een bescheiden winkelstraat, net zoals ‘t Oud Balder en de Dorpsstraat. Maar schijn kan bedriegen. Na elke bocht werd steeds duidelijker dat Ronse niet zomaar een klein boerengat is. Daar rijd je in 5 minuten door. Het is er alsof van alles een reserve was gemaakt; nóg een plein, nóg een winkelstraat, nóg een kerk. Ronse is geen betonnen jungle waar bussen en trams doorheen razen en waar iedereen altijd gehaast is. De groeven van deze kleine-gemeente-façade zijn gevoegd met een rijke geschiedenis en merkwaardige architectuur. Het was zeker: dit is niet de gebruikelijke citytrip locatie zoals Antwerpen of Mechelen. Mijn nieuwsgierigheid stak al snel de kop op.

Op pad dan maar. De toeristische dienst was mijn wegwijzer. Om het contrast met Antwerpen nog groter te maken, werd ik als een echte VIP ontvangen. Wat een cultuurshock! Met de canon van Ronse-literatuur in mijn handen geduwd huppelde ik opgetogen terug buiten. Dit vergrootte het mysterie alleen maar. Hoe kan er op zo’n eenvoudig ogende locatie zoveel te doen zijn? Het stond niet allemaal met toeters en bellen aangegeven, maar je kan hier wel degelijk een paar dagen doorbrengen zonder je te vervelen. Dit doorbrak gauw de illusie dat we in Berlaar beland waren, want bij ons vind je geen winkelcentrum, laat staan eentje binnen een straal van 50 kilometer.

Ronse was zo vriendelijk om mij op weg te sturen met een gids. Ik werd op sleeptouw genomen door Ronse-expert Yves Fouquet, een enthousiasteling die je de perfecte handleiding voorschotelt om alles uit je bezoek te halen. Onze eerste stop was het Must, een textielmuseum waar je recht op loopt wanneer je de toeristische dienst buiten wandelt. Het vertelt het verhaal over hoe de skyline van de stad in het verleden was overwoekerd met de paffende schoorstenen van honderden textielfabrieken. De industrie is dus onlosmakelijk met de Ronsese geschiedenis verweven. Alles werd er letterlijk met handen en voeten uitgelegd, want er staan wel 40 (werkende!) weefgetouwen. Er is iets ‘satisfying’ aan de manier waarop de zo’n stalen kluwen van garen en raderen systematisch klik-klakt tot er een smetteloze lap stof uitglijdt. Hier moet je dus zijn als je interesse hebt in de technische details van de kunst van het weven.

Daarna navigeerde Yves me doorheen het kloppende hart van de stad. Hij vertelde hoe Ronse een amalgaam van verschillende gemeenten is en daarom -gek genoeg- twee kerken en pleinen heeft. Wat een opluchting, ik begon dan toch niet dubbel te zien. Met nog een paar tips waar ik mij culinair kon laten verwennen, liet de gids mij vrij. Ik zette meteen koers naar de winkelstraten, het stereotiepe meisje dat ik ben. Hier besloop de gelijkenis met mijn eigen dorp me opnieuw. De rustige straten en gezellige cafés doen gewoon denken aan thuis. Ik trof er veel charmante zaakjes aan die lokale producten en mooie tweedehands kleding verkopen. Zo spendeerde ik mijn namiddag met mijn neus tegen de etalages van Ronse gedrukt.

Wanneer ik een paar uurtjes aan window shopping had gedaan, liet mijn maag van zich horen. Op een rommelende maag is maar één antwoord dat altijd juist is: pizza. Deze vers bereide lekkernij vonden we terug bij Mesopotamia. De uitbater, een Koerd die ons met veel plezier kwam bedienen maakte een praatje. ‘Oh zijn jullie van Berlaar? Mijn neef heeft daar nog in de buurt gewoond.’ Aha! Nog iemand die de gelijkenis heeft opgemerkt en er daarom is gaan wonen. Dit is wat ik zo fijn vind aan zo’n bestemmingen: gastvrije en sympathieke locals. Ze zijn de toeristen nog niet beu gezien en begroeten je alsof je er al even lang woont als zijzelf. Hierdoor smaakte mijn pizza toch nét iets beter.

Een eigenaardig verschijnsel in Ronse is de occasionele art deco-gevel die het alledaagse straatbeeld breekt. De vale tinten en bizarre vormen zijn ongetwijfeld erg begeerd onder architectuur fans, maar het valt niet echt samen met mijn persoonlijke smaak. Wel vond ik het amusant om het leger gekleurde huisjes in Ronse te bezichtigen. Dit kan je trouwens heel makkelijk doen via de art-deco wandelroute in deze app. Voor de hardcore architectuur gek ligt er ook nog een must-see tussen de begraasde velden die de stad omringen: Villa Carpentier. Je leest het goed: Ronse heeft een eigen Horta-huis dat open is voor bezoekers. Ik herinnerde mij hoe in de lessen esthetica zoiets als een unieke ervaring werd voorgesteld, dus ik was geprikkeld om er de art-nouveau sfeer op te gaan snuiven. Het is zeker een aanrader voor wie wild wordt van gebouwen die overlopen van krullen en tierlantijntjes. Ik kan excentrieke dingen wel appreciëren, maar ik blijf deze stijl bizar vinden.

Wanneer mijn voeten het voor bekeken hielden, plofte ik neer op de houten banken van Eetcafé de Vrijheid. Bij het lezen van het menu galmden de woorden van mijn trouwe gids door mijn hoofd: ‘In de Vrijheid hebben ze de beste hamburgers.’ En gelijk had hij! Daar bovenop zijn de ingrediënten bijna misselijkmakend vers. Als je het stuk vlees eruit plukt, blijf je over met een slaatje dat zou kunnen doorgaan als detox-kuur. Bestel daar nog een lekker biertje bij (Tip: Quintine) en je hebt een avondmaal om duimen en vingers bij af te likken. Maar de status van een restaurant berust niet enkel op de kwaliteit van het eten. Ook hier werden we onthaald alsof we vaste klanten waren. Angelo komt met iedereen een praatje maken en het interieur heeft een eigenwijs karakter. Een fiets aan het plafond of een Duchamp urinoir aan de gevel, waarom niet? We zijn allemaal wel een beetje dada.

In de achtertuin van Ronse, net buiten het centrum, lag mijn hotelletje Hotond. Helemaal op de top van de Scherpenberg, het hoogste punt van Oost-Vlaanderen. Het is een oude molen die omgetoverd is tot een sport-hotspot waar alle fietsers en wandelaars hun benen kunnen laten rusten. Ernaast ligt een schattig miniatuur-hotel met 10 kamers. Hoewel de Vlaamse Ardennen eerder doen denken aan een blokhut, waren de kamers ingericht in een strakke Scandinavische stijl. Dit vond ik heel rustgevend. Geen schreeuwerige kleuren of drukke motiefjes, gewoon simpele vormen en evenwicht. Door de ideale ligging kan je ook genieten van een prachtig uitzicht over groene lappendekens en het centrum van Ronse. Deze omgeving kan je ook te voet gaan verkennen, want de natuur rond Hotond is een echt wandelwalhalla, zoals Charlotte het noemt.

Het was dus een heel avontuur om dat charmante stukje Oost-Vlaanderen te ontdekken Je hebt er alle bouwstenen van een bloeiend stadscentrum, gemengd tussen die van een huiselijk dorpje. Ik voelde me er meteen thuis. Ik ben er zeker van dat mijn Berlaarse roots mij in de toekomst terug naar de herkenbare stad zullen leiden. Deze alternatieve citytrip zou ik dus gerust willen herhalen, want ik heb nog lang niet alles gezien..

Ben je geprikkeld om ook de Vlaamse Ardennen te bezoeken? Nog een paar tips: 

Ook voor kinderen is de stad een leuke staycation-bestemming. Lees in het verslag van Sam hoe hij zijn weekendje Vlaamse Ardennen met kinderen in Ronse doorbracht. (ps: vergeet deel 2 niet!)

What's your reaction?
1Geef een hartje
Show CommentsClose Comments

1 Comment

  • Fouquet Yves
    Posted 21 oktober 2020 at 16:08 0Likes

    Eh weu, wried schuune geschreiven en tees oi woer!! 😉

Leave a comment

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.